Taal & spelling

Taal & spelling

Taal & spelling

16 nov 2025

16 nov 2025

16 nov 2025

Hoe leg je je kind het verschil uit tussen werkwoorden met -d en -dt?

Kinderen die praten over -d of -dt
Kinderen die praten over -d of -dt
Kinderen die praten over -d of -dt

Voor veel kinderen blijft het lastig: wanneer schrijf je een werkwoord met -d, en wanneer met -dt? Het lijkt simpel, maar juist omdat de uitspraak hetzelfde is, raken kinderen snel in de war. In dit artikel lees je hoe je dit thuis op een duidelijke en praktische manier kunt uitleggen.

Een eenvoudige basisregel

Laat je kind beginnen met één simpele vraag: “Staat het in de tegenwoordige tijd?” Als het antwoord ja is, kijk je naar wie de handeling doet.

Bij ik, jij achter het werkwoord, hij/zij of het, gebruik je de stam + t, behalve bij “ik”.

Voorbeeld:

  • ik vind

  • jij vindt

  • hij vindt

Zo krijgt je kind een vast houvast bij veelvoorkomende situaties.

Gebruik de ik-vorm test

Veel kinderen kennen deze truc nog niet: vervang het onderwerp door “ik”.

Als je “ik” ervoor zet, valt de -t altijd weg.

Voorbeeld:

  • Jij vindt het leuk → Ik vind het leuk

  • Zij wordt groter → Ik word groter

Als je “ik” kunt gebruiken zonder fouten, weet je direct of het eindigt op een -d of -dt.

Oefen met korte zinnen

Lange zinnen maken het lastig. Begin met korte zinnen en laat je kind één ding tegelijk bepalen: onderwerp → tijd → juiste vorm.

Bijvoorbeeld:

  • De hond word(t) druk.

    Stap 1: Wie? De hond.

    Stap 2: Tegenwoordige tijd.

    Stap 3: Hond = hij → stam + t → wordt.

Maak het visueel

Sommige kinderen snappen grammatica pas echt wanneer ze het kunnen zien. Teken bijvoorbeeld een simpel schema:

  • stam = werkwoord zonder -en

  • ik → stam

  • jij/hij/zij → stam + t

  • verleden tijd → niets met -dt

Visuele hulpmiddelen maken een lastig onderwerp direct overzichtelijker.

Laat fouten gewoon gebeuren

Veel kinderen durven geen taal te schrijven omdat ze bang zijn voor fouten. Leg uit dat iedereen weleens twijfelt tussen -d en -dt (zelfs volwassenen). Bespreek de fout rustig, laat je kind uitleggen waarom het die keuze maakte, en corrigeer dan samen. Zo groeit het zelfvertrouwen en begrijpt je kind de regel veel sneller.

Pas het toe in echte teksten

Laat je kind niet alleen losse zinnen oefenen, maar de regels toepassen in korte verhaaltjes, app-berichtjes of schoolopdrachten. Door het te gebruiken in “echte taal”, blijft het beter hangen en wordt de d/dt-keuze vanzelfsprekend.

💡 Extra tip:

Heeft je kind moeite met taalregels zoals deze? Plan een gratis intake bij BijLeer en ontdek hoe gerichte begeleiding taal veel makkelijker maakt!